De meeste Herenboerderijen hebben ongeveer 1 hectare fruitbomen (bijv. appels, peren en pruimen), aangevuld met vruchtdragende bomen.
Wat er in welke mate staat, hangt af van de geschiktheid van de bodem en de wensen van de leden van de coöperatie. Ook de rassenkeuze is tot op zekere hoogte variabel. Al staan de bomen er langjarig en is het geen kwestie van ‘even een boompje planten en je plukt er direct de vruchten van.’
Sowieso wil een Herenboerderij het seizoen van elk product, zo lang mogelijk maken. Dat gebeurt door per soort, verschillende rassen te telen (vroeg, middel en laat). Behalve dat er zo langer van een bepaalde fruitsoort gegeten kan worden, spreidt de boer zo de risico’s.
Behalve dat er onderscheid is aangebracht tussen de soorten fruit (appel, peer, pruim, …) is daarbinnen een mix aangebracht tussen typen (handappel, moesappel) en rassen (verschillende smaak, oogsttijd, bewaarbaarheid).